dinsdag 8 augustus 2017

Boek van de Maand Bookflash deel 1: 'P.I.D.' - Bronja Hoffschlag




New Orleans, Louisiana – december 1969


 De oude rugzak die hij op de middelbare school ook gebruikt had lag al maanden klaar onder zijn bed. Ooit hadden er leerboeken in gezeten en schriften en schrijfgerei. Nu bevatte de rugzak niet meer dan het meest essentiële, maar toen hij deze onder het bed vandaan naar zich toetrok, leek de tas veel zwaarder dan vroeger.
Hij had geweten dat ze zouden komen.
Twee jaar eerder had Charlie hem al gewaarschuwd. Alleen Charlie had naar hem geluisterd en hem op zijn woord geloofd, wanneer hij zijn vergezochte theorieën uiteenzette. Alleen Charlie. De anderen die hij in vertrouwen had durven nemen hadden hem paranoïde genoemd of een complotdenker. Ze hadden hem voor gek verklaard en zelfs onweerlegbaar bewijs van tafel geveegd, maar hij was overtuigd geweest van zijn gelijk en met Charlies waarschuwing in zijn achterhoofd, had hij zich erop voorbereid dat hij op een dag zou moeten vluchten.
Toch, nu het moment dat hij al lange tijd vreesde daadwerkelijk was aangebroken, werd hij overvallen door een hevig gevoel van twijfel.
De agressie en vastberadenheid die doorklonken in het luide gebons op de voordeur deden hem bijna een volle minuut lang bevriezen, totdat de noodzaak van direct handelen tot hem doordrong. Hij mocht niet aarzelen. Er was geen tijd te verliezen. Nu was het moment. Nu.
De keuzes die hij op dat moment zou maken zouden de rest van zijn leven bepalen. Zijn hele toekomst hing af van de snelheid waarmee hij zich uit de voeten zou kunnen maken.
Buiten werd er opnieuw hard op de voordeur gebeukt.

Toen hij zijn oor tegen het hout van een van de vloerplanken drukte, kon hij de gedempte stemmen van zijn ouders horen. De exacte woorden kon hij niet onderscheiden. Hij stelde zich voor hoe ze overlegden, dat ze probeerden te besluiten hoe ze voldoende tijd konden rekken om hun enige zoon de kans te geven om te vluchten.
Weer klonk het geluid van een vuist die op hout sloeg en hij hoorde een onbekende, zware mannenstem zijn naam roepen.
“Thomas Robert Fremont?”
Snel krabbelde hij overeind. Hij trok zijn jas aan, hing de rugzak aan zijn linkerschouder en wrong onhandig zijn andere arm door de lus van de tweede draagband. Gehaast keek hij zijn kamer rond om zich er voor de laatste keer van te verzekeren dat hij niets vergeten was en controleerde dwangmatig de inhoud van de binnenzak van zijn jas.
“Thomas Robert Fremont!”
De wetenschap dat hij hier nooit meer terug zou kunnen keren deed zijn ogen prikken. Zijn keel brandde en hij slikte een paar keer om het vervelende gevoel te verminderen. Geruisloos opende hij het raam van zijn slaapkamer en hees zich op de vensterbank. Toen hij achter zich de deur open hoorde gaan, keek hij verschrikt om. Zodra hij zijn moeder op de drempel zag staan, ademde hij opgelucht uit.
“Tom, wacht,” smeekte ze.
Hij bleef gehurkt op de vensterbank zitten, maar kon zich er niet toe zetten haar aan te kijken. “Ik moet weg,” fluisterde hij. “Je weet waarom. Je weet waarom ze hier zijn.”
“Ik dacht dat...,” begon ze.
Toen haar zachte stem wegstierf en ze haar zin niet leek te willen afmaken, hief hij zijn hoofd op. “Dat ik het me allemaal verbeeld heb? Dat het niet echt was?” stelde hij voor.
Ze knikte. “Tom, lieverd...”
De immens verdrietige blik in haar ogen brak zijn hart. “Ze weten het, ma. Ze weten dat ik het weet.”
Zijn moeder knikte bevestigend en stak een trillende hand in de zak van haar keukenschort. Toen de hand weer tevoorschijn kwam hield ze een bundeltje bankbiljetten tussen duim en wijsvinger.
Hij schudde zijn hoofd.
Ze haastte zich naar hem toe en hield hem het geld voor. “Je zult het nodig hebben,” meende ze.
“Dit kan ik niet aannemen,” protesteerde hij zacht.
“Thomas Robert Fremont!”
“Neem het,” drong ze aan en stopte het geld in zijn jaszak. Ze drukte een vluchtige kus op zijn voorhoofd en zei: “Ga nu.”
Tom knikte en klom door het raam naar buiten, waarna zijn moeder het achter hem sloot.
Ondanks dat het nauwelijks half zes was, was de avond al gevallen. De ijskoude decemberlucht kwam hem snijdend tegemoet, alsof die zijn zelfverkozen isolement wilde benadrukken. Hij had gehoopt om nog een laatste Kerst met zijn familie te kunnen vieren, maar het bleek hem niet gegeven.
Kort gunde hij zijn ogen de tijd om aan het donker te wennen, terwijl hij gehurkt in de dakgoot bleef zitten om buiten het gezichtsveld van de ongewenste bezoekers te blijven.
De dichtstbijzijnde straatlantaarn was al weken kapot.
Uit voorzorg had hij deze vanuit zijn slaapkamerraam uitgeschakeld met een luchtbuks. Iedere keer dat de lichtbron gerepareerd werd, had hij dat de eerstvolgende nacht op dezelfde wijze ongedaan gemaakt als de eerste keer. Na een zestal reparaties had de gemeente het kennelijk een verloren zaak beschouwd en niemand meer langs gestuurd om de lantaarnpaal een zevende maal te herstellen.
Weer klonk er gebons.
“Thomas Robert Fremont!”
Tom onderdrukte de neiging om over de rand van de dakgoot naar beneden te gluren. Hij wilde weten met hoeveel ze waren, maar besefte bijtijds dat het risico op ontdekking te groot was. Zachtjes kroop hij door de dakgoot in de richting van het dak boven de veranda.
Slechts meters onder hem werd de voordeur geopend.
Tom hield direct stil, maakte zich zo klein mogelijk en hield zijn adem in. Gespannen luisterde hij.
“We zijn hier voor Thomas Robert Fremont,” zei de zware stem, die al een aantal keer zijn naam had geroepen.
“Dat is mijn zoon,” antwoordde zijn vader.
“Als u even opzij wilt gaan.” Het klonk niet als een verzoek.
“Hij is hier niet,” mengde zijn moeder zich nu in de conversatie.
“Als u even opzij wilt gaan, mevrouw.” De onbekende stem klonk ongeduldig en autoritair.
“Hij is hier niet,” herhaalde ze.
“Mevrouw, we doen alleen maar ons werk, dus...,” begon een andere onbekende stem.
“Ik ook,” onderbrak ze hem.
“Beth,” maande zijn vader.
“Dus als u even opzij wilt gaan,” maakte de vreemdeling zijn zin af.
De scharnieren protesteerden piepend toen de deur verder geopend werd om de mannen binnen te laten. Zodra Tom de deur onnodig hard achter de bezoekers dicht hoorde vallen, liet hij zich voorzichtig op het gladde, schuine afdak van de veranda onder hem zakken.
De stemmen in het huis klonken gedempt en de individuele woorden waren onverstaanbaar, toen Tom ineengedoken bleef zitten om te luisteren. Zijn rubberen schoenzolen hadden weinig grip op het natte hout en hij moest zich schrap zetten om niet weg te glijden. Zoekend naar de meest strategische vluchtroute keek hij om zich heen.
In de straat stonden diverse zwarte auto’s geparkeerd.
Het was te donker om details te kunnen waarnemen, maar hij was er vrij zeker van dat geen van de voertuigen aan zijn buren toebehoorden. Zijn hart miste een slag, toen hij vanuit zijn ooghoek iets zag bewegen in de tuin naast de zijne en hij draaide razendsnel zijn hoofd.
Een klein meisje keek hem bevreemd aan, haar hoofd schuin en een diepe frons in haar voorhoofd. Ze opende haar mond om iets te zeggen of te vragen.
Snel legde Tom zijn wijsvinger over zijn lippen en schudde nadrukkelijk zijn hoofd om haar tot stilte te manen.
Het kind knikte en zweeg, maar maakte geen aanstalten om weg te gaan of haar aandacht op iets anders te richten. Volkomen bewegingsloos stond ze in het schemerdonker, haar blik onafgebroken op hem gericht.
Kostbare seconden tikten weg, terwijl ze elkaar in stilte aanstaarden. Tom besefte dat hij niet langer kon wachten.
Gefascineerd keek het meisje toe hoe hij zich naar de rand van het afdak liet glijden en even aan zijn vingertoppen bleef hangen, voordat hij zich liet vallen en behendig met zijn beide voeten op de ongelijke grond naast de veranda landde.

1 opmerking:

Charles Kuijpers zei

Bijzonder intrigerend en fraai geschreven !